Preek van de week
Liturgische kalender
  Prekenlijst Uw commentaar

   forum    webmeester

Missiezondag 2000
getuigenis van een 'missionaris met pensioen'
 

 

 

"Nogmaals vroeg hij: 'Simon, zoon van Johannes, heb je me lief?'
'Ja, Heer,' zei hij, 'u weet dat ik van  u houd.'
Daarop zei Jezus: 'Wees dan een herder voor mijn schapen.'"


Heeft missioneren nog zin? Het is een zeer pertinente vraag, zeker  nu de oudere missionarissen met trosjes terugkeren naar het moederland en de afreis van nieuwe krachten een steeds zeldzamer verschijnsel  is geworden.

Ikzelf was - en blijf - met heel mijn hart missionaris. Ik ben tamelijk laat, op mijn 37ste, naar Congo vertrokken, na een mooie loopbaan, in de catechese voor mentaal gehandicapten en een boeiende maar moeilijke periode als novicenmeester. Altijd al  had ik  missionaris willen zijn, en aangezien mijn taak van novicenmeester bij gebrek aan nieuwe kandidaat-dominicanen ten einde lmiep, kreeg ik daartoe een nieuwe kans. Ik wou getuigen, een teken zijn van hoop bij de armsten der armen.

Ik kwam in de landbouwstreek van Oost-Uele terecht, en naast of beter omwille van mijn werk als pastor ging ik me al vlug bezighouden met de tropische landbouw. Daar moesten de mensen van leven, maar ze  lukten er  niet in. Ik werd specialist in de cultuur van koffie, bananen en soya. Ik kreeg de massale aanplanting van oliepalmen op gang. Ik mocht op twee verschillende posten een coöperatieve animeren om de aan- en verkoop van rijst, sesam, koffie en alle veldproducten te organiseren. Duizenden arme boeren hebben er goed van geleefd.
Ik bouwde bruggen, maakte waterbronnen bruikbaar, kon vele kinderen begeleiden of een veilige thuis geven, maar bovenal: ik mocht als het ware als gelijke, met zoveel mensen zoeken en samenwerken.

Het was een pijnlijke ervaring te moeten beleven dat mijn vertrek bijna onvermijdelijk  ook het einde van de projecten betekende. Ik leerde inzien dat het niet anders kon. Maar ik geloof er ook vast in dat er op de een of andere manier een basis blijft bestaan, die vroeg of laat, opnieuw  vruchten zal dragen. En ik mocht het beleven dat in die streek initiatieven opgestart werden die dit nu reeds bewijzen.

Slechts langzamerhand  ben ik beginnen begrijpen dat er intussen fundamentele verschuivingen plaats grepen. In 1970 hadden we nog een Vlaamse bisschop, en in het hele bisdom amper een tiental zwarte priesters. Nu is de Congolese Kerk een volwaardige kerk, met meer dan 50 eigen  bisschoppen, een zwarte kardinaal en een vlug aangroeiend aantal zwarte priesters, zusters, broeders en een sterke achterban van geëngageerde leken. En kom me niet vertellen dat zij minder zijn dan wij!
Het werd me met de dag duidelijker dat er iets fout zat met die actieve blanke missionarissen, die zoveel konden realiseren; door hun toewijding, zeker, maar ook dank zij hun Europese achtergrond en de financiële steun waar zij altijd konden op rekenen.

Het stelde mijn eigen inzet zwaar onder druk. Hoezeer ik ook leefde vanuit de overtuiging dat mijn zending op liefde gegrondvest was en niet op zieltjesjagerij, sinterklaasgedoe of beschavingsdrift, toch kwam ik tot het inzicht dat dit, zeker door zwarte medebroeders, omgekeerd geïnterpreteerd werd. En ik probeerde de mensen nog méér ernstig te nemen, met hen te leven, naar hun overtuigingen te luisteren en daarnaar te handelen. Kortom, hen op hun eigen niveau te ontmoeten, met alle respect waar ze recht op hebben. Maar dit was nog niet genoeg.

Toen ik in Kinshasa overste werd van de zwarte dominicanen (door henzelf gekozen), heb ik al vlug aangevoeld dat het hele systeem op zijn grondvesten wankelde. Nu op alle niveaus van de Kerk in Congo zwarte mensen staan met evenveel en dikwijls meer intellectuele vorming dan wij, passen wij blanken niet meer in het systeem, wat velen er ook van mogen zeggen. Een zwarte kerk heeft zwarte leiders nodig. We zouden daar  gelukkig om moeten zijn, want het is toch de uiteindelijke bedoeling van missioneringswerk dat we onszelf overbodig maken.

Ik gaf dus zo vlug mogelijk de touwtjes uit handen, liet ook alle belangrijke pastorale opdrachten aan mijn zwarte confraters en gaf me helemaal aan de straatkinderen, de zieken en de ouderen. Maar ook dat stelde 'de blanke' nog te veel in de schijnwerpers. Ik merkte dat mijn zwarte medebroeders ook daarmee niet gelukkig waren. Alles wat ik deed, remde hen af, voelden ze aan als verkapte kritiek. Ik voelde me stilaan een spelbreker en een pottenkijker - een mondele. Ik kon hen geen ongelijk geven. Stel u eens een Chinees of een Amerikaan voor die op uw parochie de grote meneer komt spelen. Hij mag dan nog zo'n goed mens zijn en zo'n mooie dingen doen, hij is en blijft een vreemde. En als eigen mensen staan te dringen, is het niet moeilijk te raden wie de plaats moet ruimen.

Het kwam dus zover dat ik er een punt moest achter zetten. Een pijnlijke beslissing, na bijna dertig jaar! Maar hoe dan ook de enig juiste.

Nu komt de grote vraag: wat betekent dat, er een punt achter zetten? Is het de deur achter u dichtdoen en in het duister verdwijnen? Zovelen zeggen me: "Goed zo. Laat ze maar zelf hun boontjes doppen." Maar zo simpel is het niet.
Allereerst hebben  nog heel wat Europese  missionarissen opdrachten te vervullen die ze nog niet kunnen of mogen opgeven. Ik noem  er maar één:  die van de congregaties die met de vorming van een eigen inlandse provincie nog niet klaar zijn. Ik ken er zelf een vijftal in Kinshasa die, gezien de lange opleiding van hun priester-kandidaten, nog geen of toch veel te weinig afgestudeerden hebben die de leiding op zich kunnen nemen. Die blanke missionarissen moeten kunnen blijven rekenen, niet alleen op onze financiële steun maar ook op de warme sympathie en waardering van hun thuisfront.
Daarbij is het goed om weten dat materiaal naar Congo versturen peperduur is en zéér onzeker. Naar het binnenland is het zelfs totaal onmogelijk geworden. Alleen geldtransacties vinden nog hun weg.
Er zijn ook nog heel wat kleinere projecten die te belangrijk zijn om ze los te laten. Sommige worden nog geleid door blanken, meestal in de gezondheidszorg. Hoe dan ook worden daardoor oneindig veel mensen geholpen. Ik ken er zelf een aantal, gegroeid binnen zwarte gemeenschappen, die zeer veel  betekenen voor de overleving van de zo geplaagde bevolking. Het zou zonde zijn deze mensen af te schrijven. Wél is het nodig het geld langs veilige wegen in de goede handen te doen belanden.

Missioneren wordt dus a.h.w. een achtergrondactiviteit. Maar vergeet niet: missioneren is en blijft het wezen zelf van elk geloof. Maar hoe moet dat dan verstaan?

Ik heb mij altijd gehouden aan de aangrijpende passage  uit het Johannesevangelie (21:15-18). Jezus vraagt tot driemaal toe aan Petrus of hij hem liefheeft. En tot drie keer antwoordt Petrus, telkens met meer bewogenheid: Ja, Heer, u  weet dat ik u bemin. Pas dan krijgt hij de zending: Wees herder van mijn schapen. En onmiddellijk laat Jezus erop volgen: "Als je jong was, schortte je zelf je kleren op en ging je je eigen weg. Als je oud wordt zul je je handen uitstrekken en een ander zal je brengen waar je niet heen wil..."

Ik zou willen dat we dit goed begrijpen.
Ten eerste, de basis van alle missionering: "Heb je me lief?"
Ten tweede, de inhoud van alle missionering: "Weid mijn schapen."
Ten derde, alle missionering zal  uitlopen op: "Een ander zal je brengen waar je niet wil."

Ook als wij ons hebben laten leiden 'waar we niet willen', blijft de dringende uitspraak van Jezus van kracht: "Heb je me lief?", en: "Wees herder van mijn schapen".

We hebben nooit het recht de deur dicht te slaan.

Omwille van de liefde tot Jezus, de verrezen Heer, die noodzakelijk de medemensen insluit die hij ons toevertrouwde ("weid mijn schapen"), moet de menselijke en de religieuze band behouden blijven, in diep respect en vertrouwen, met onze zwarte opvolgers.  Dit is niet alleen een zaak van missionarissen die er gewerkt hebben, maar ook van de Kerk die hen lang geleden heeft gezonden. Het gaat erom te blijven getuigen dat God tegenwoordig is op aarde door onze broederlijke verbondenheid.

Mijn antwoord op de uitgangsvraag luidt dan ook: missioneren heeft méér dan ooit zin. Maar versta het woord in zijn diepere betekenis: uw liefde tot Christus en zijn Kerk gebied u: "Blijf mijn schapen weiden." Blijf de deur openhouden voor respect, vertrouwen en menselijke waardering en ook waar mogelijk voor materiële steun. Maak dat de mensen op het zogenaamde missieveld voelen dat u  blij bent  dat de jonge kerken nu 'uw lendenen omgorden en hun Kerk leiden waar gij niet wilt': naar hun eigen doeleinden waarheen God ze begeleidt. Blij ook dat u  met uw liefde en uw steun moogt blijven meewerken - op de achtergrond.

Herman Nachtergaele o.p.