Preek van de week
Liturgische kalender
  Prekenlijst Uw commentaar

   forum    webmeester

Geloven in de opstanding
17 maart - 5de vastenzondag (Johannes, 11:1-44)

 

 "Wie in mij gelooft mag dan al sterven, toch zal hij leven.
De dode kwam naar buiten, zijn voeten en handen gebonden met zwachtels en
zijn gezicht in een doek gewikkeld.
Maak hem los, beval Jezus, en laat hem gaan."


Het kan misschien vreselijk hard klinken, maar voor wie aandachtig leest of luistert gaat het in het verhaal over Lazarus die weer tot leven werd gewekt niet om Lazarus. Toen Jezus vernam dat hij erg ziek was, maakte hij geen aanstalten om naar hem toe te gaan. Bij het nieuws van het overlijden van Lazarus zei hij tegen zijn leerlingen: ik ben blij dat ik er niet bij was toen hij stierf. Hij vroeg in zijn gebed tot zijn Vader niet om een uitzonderlijke gunst voor zijn begraven vriend, maar om geloof voor de omstanders. Nadat Lazarus uit zijn graf was gekomen, zei Jezus dat men hem uit zijn zwachtels moest losmaken en laten gaan. Verderop in het verhaal vernemen we dat veel mensen naar hem op zoek gingen en dat de hogepriesters hem wilden doden, maar blijkbaar heeft niemand hem nog ooit ergens gezien. Hij was van het toneel verdwenen. Overigens blijft het een vraag hoe hij uit zijn graf is kunnen komen, want zijn voeten en handen waren met zwachtels gebonden.

De hoofdpersoon is niet Lazarus, het zijn de twee vrouwen bij wie Jezus vriend aan huis was. Het gaat om het geloof van Martha en Maria, en ook van allen die bij hen waren gekomen om in hun rouw te delen. Martha zei dat ze ervan overtuigd was dat haar broer uit de dood zou verlost worden aan het einde der tijden, maar Jezus maakte haar duidelijk dat ze in hem moest geloven en in een leven van dien aard dat het nooit sterft.

Waarom heeft Jezus zich bij het huis van zijn vriendinnen twee keren boos gemaakt? Was het omdat hij de weeklachten van Maria en van de omstanders misplaatst vond, en waren die dan misplaatst? Waarom heeft hij gehuild? Alleen omdat hij erg veel van Lazarus had gehouden? Er moeten dieperliggende redenen geweest zijn.
Het lijkt niet te ver gezocht dat Jezus zich in woede gekeerd heeft tegen de zinloosheid van de dood, tegen de vele soorten dood die mensen elkaar op veel manieren doen sterven, tegen de dood van de angst voor het leven, de wanhoop en het ongeloof waarin mensen gevangen zitten. Waar mensen aan zo'n dood aan deze kant van hun graf gestorven zijn, hebben ze geen echt leven meer. Misschien heeft Jezus gehuild uit deernis voor de machteloosheid van mensen om uit die dood weg te geraken, voor hun onvermogen om in het echte leven te geloven. Misschien ook wel omdat hij voorzag wat hij zelf over korte tijd nog allemaal te verduren zou krijgen.

Lazarus lag al vier dagen in het graf, een dag langer dan derde dag waarop de gestorven Jezus zelf uit zijn graf is opgewekt. Hij was morsdood. 'Lazarus' betekent in het Hebreeuws 'hulp van God'. Opgestaan uit zijn graf was Lazarus een hulp - in de taal van het Johannesevangelie: een 'teken' - vanwege God opdat mensen erin zouden slagen tot geloof in zijn levenwekkende kracht te komen. Daarvoor heeft Jezus bij Lazarus' graf ook gebeden.


Wie vandaag het verhaal over Lazarus leest of beluistert, kan zich identificeren met Maria, de zus van Lazarus, en met Lazarus zelf. In het eerste geval krijgt hij de vraag te horen of hij op Jezus' woord gelooft dat hij in eeuwigheid zal leven, ook al moet hij vroeg of laat sterven. Wie, stamelend misschien en niet 100 percent zeker van zichzelf, 'ja' antwoordt, gaat in zekere zin al met één been leven aan de 'overkant', doordat hij zich gedragen weet door zijn relatie met de eeuwige God en zich in hem geborgen weet. Hij zal 'opstandig' gaan leven, in verzet tegen alle vormen van dodend kwaad, in vertrouwen dat het werkelijk goede dat hij op het kwaad bevecht, nooit verloren gaat.

Wie zich herkent in de gestorven en begraven Lazarus, krijgt het bevel te horen: 'kom uit je graf naar buiten'. Als hem de kracht wordt geschonken er gehoor aan te geven, moet hij er niet op rekenen dat zijn leven zal worden teruggedraaid en opnieuw kan worden geleefd, zoals we bv. doen met een horloge die weer vanaf 0 uur kan beginnen te lopen. Hij moet zich dan losmaken en laten losmaken (hulp van anderen kan hij niet missen) uit de windsels waarmee zijn handen en voeten gebonden zijn. En dan zal men hem laten gaan, om verder te leven, maar anders, bevrijd om als gelovige 'opstandig' te kunnen leven.

Dit evangelie wordt in de liturgie als een prelude veertien dagen vóór Pasen gelezen. Daar gaat het inderdaad om als Pasen wordt gevierd. Het is het feest van het geloof dat geen enkele dood, hoe vroeg en hoe verschrikkelijk ook zoals in het geval van Jezus, het laatste woord heeft. Het is de viering, elk jaar herhaald, van de vaste hoop dat elk menselijk leven door de heen een definitieve voltooiing wacht.

Inspiratie is geput uit: R. Moens, Hoe kan je nu nog geloven?, Averbode, 19989, p. 77-82.

B.J. De Clercq o.p.